Zeven slokken op één borrel

De belangrijkste aandachtspunten bij het financieel beheer van uw nazorgfonds.

Zeven slokken op één borrel

Op basis van Wet milieubeheer zijn de provinciale nazorgfondsen opgericht. In deze fondsen wordt het vermogen bijeengebracht dat dient te volstaan om aan de financiële verplichtingen te kunnen voldoen, die voortvloeien uit de eeuwigdurende nazorg (lees: het voorkomen van milieuverontreiniging) van gesloten stortplaatsen.

Gaandeweg – als de stortplaats nog open is – wordt vermogen opgebouwd in het nazorgfonds. Dit wordt enerzijds gedaan door het opleggen van een nazorgheffingen en anderzijds door het in het nazorgfonds aanwezige zijnde vermogen te beleggen, conform de wet Fido en de Ruddo.

Wet Fido & Ruddo

Gemeenten en provincies, en daarmee de provinciale nazorgfondsen, dienen hun (overtollige) middelen te beleggen volgens de Wet Fido (financiering decentrale overheden) en de Ruddo (regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden). Hierin zijn tevens de uitzondering opgenomen op het schatkistbankieren en de uitzondering die het nazorgfondsen – onder voorwaarden – toestaat te beleggen in beursgenoteerde aandelen- en onroerendgoedfondsen.

Het vermogen in het nazorgfonds dient bij de sluiting en overdracht van een stortplaats te volstaan voor de eeuwigdurende nazorg voor die stortplaats. Dit ‘doelvermogen’ bij sluiting en overdracht is de netto contante waarde van alle toekomstige verplichtingen, inclusief opslagen voor risico en onvoorzien.

Bij sluiting van een stortplaats vindt afrekening plaats met een vergunninghouder tegen finale kwijting; na de overdracht is de provincie verantwoordelijk voor de nazorg op de (dan) gesloten afvallocatie. Daarmee wordt de provincie eigenaar van alle financiële risico’s, dus zowel van de beleggingsrisico’s en of de kosten voor de nazorg zelf mee- of tegenvallen.

Ook na de sluiting van stortplaatsen blijft het vermogen dus belegd, aangezien de beleggingsrendementen een (onmisbaar) bijdrage dienen te leveren aan het behalen van de toekomstige benodigde bedragen.

Gevoelig voor rekenrente

De crux in dit verhaal is de rekenrente waarmee de toekomstige verplichtingen contant gemaakt worden. Deze speelt een doorslaggevende rol in het ‘wel en wee’ van een nazorgfonds.

Gegeven de zeer lange (eeuwigdurende1) looptijd van de verplichtingen is een nazorgfonds zeer gevoelig voor (veranderingen in) de rekenrente. Als de rekenrente hoog wordt vastgesteld, is het rente-op-rente-effect ook erg groot. Het doelvermogen is dan navenant laag. Vice versa, als een rekenrente laag wordt vastgesteld, is het rente-op-rente-effect kleiner en dient het doelvermogen navenant groter te zijn.

Dit effect speelt primair in de periode tot sluiting (en finale afrekening met de vergunninghouder). Na sluiting acteert de rekenrente als een ‘vereist rendement’. Als de rekenrente op lange termijn (structureel) behaald wordt, blijft de dekkingsgraad van het nazorgfonds op peil en zal het nazorgfonds op lange termijn solvabel blijven.

Vanuit onze adviespraktijk willen wij graag de volgende zeven aandachtspunten met u delen:

  1. Het gevolg van rekenrente als verwacht rendement
    Een aantal nazorgfondsen gebruiken het instrument ALM-studie om te helpen bij de vaststelling van de ‘optimale’ beleggingsmix. Hierbij wordt de 5% rekenrente, die begin deze eeuw door het Interprovinciaal Overleg (IPO) werd geadviseerd, als input gebruikt. De uitkomst, de beleggingsportefeuille, is dan geënt op een gemiddeld verwacht rendement van 5%. Waar vaak niet naar wordt gekeken, is wat dit precies impliceert. Het verwachte gemiddelde rendement van de beleggingsportefeuille is 5%. Dit houdt in dat de portefeuille in 50%2 van de jaren een rendement zal opleveren dat onder de 5% ligt. Het risico dat de provincie als oprichter van het nazorgfonds loopt, is dan ook aanzienlijk. Dit risico is evenwel vaak niet inzichtelijk voor de provincie.Tevens is van belang om op te merken dat, indien de hoogte van de rekenrente gebaseerd is op het verwachte portefeuille rendement, dit leidt tot een curieuze uitkomst: des te meer beleggingsrisico een nazorgfonds neemt – met name na sluiting, want dit is een veel langere periode dan voor sluiting – des te lager het doelvermogen wordt voor de vergunninghouders. Oftewel de risicopremie wordt weggegeven aan de vergunninghouder(!).
    rekenrente
  2. Een hoge rekenrente leidt tot een offensieve beleggingsmix
    Een rekenrente van 5% ligt boven de meest gebruikelijke aannames voor rendementen op vastrentende waarden. Dit betekent dat uitkomsten van een ALM-studie zullen tenderen naar portefeuilles met meer zakelijke waarden, omdat deze het gewenste (hogere) rendement leveren. Het gevolg hiervan is dat de volatiliteit van de ‘ideale’ beleggingsportefeuilles ook hoog ligt. Hierbij dient te worden opgemerkt dat een beleggingsportefeuille sterk ‘pad-afhankelijk’ is. In een ALM studie worden duizenden paden (aan uitkomsten) doorgerekend, in werkelijkheid is er slechts één. Met andere woorden: als in de realiteit een grote schok plaatsvindt, is het erg moeilijk om hiervan te kunnen herstellen (als er geen middelen worden bijgestort).
    beleggingsmix
  3. Andere institutionele beleggers?
    Andere institutionele beleggers met langlopende verplichtingen (pensioenfondsen en verzekeraars) gaan voor de berekening van hun dekkingsgraden/solvabiliteit uit van veel lagere rekenrentes3. Beide berekenen een ultimate forward rate (UFR) en leiden daar hun (reken)rente-termijnstructuur van af. Pensioenfondsen zijn hierbij strenger in de leer dan verzekeraars. Denk hierbij aan een ordegrootte van 1,7% (pensioenfondsen) tot 3,75% (verzekeraars). Voor de goede orde: dit is het eindpunt van de gehanteerde curve, voor korte(re) looptijden ligt de te hanteren rentevoet dus lager!Beide methodieken zijn wel zodanig opgesteld, dat gekeken wordt naar een gemiddelde rente over meerdere jaren aan datapunten. De rekenrente is dus relatief stabiel en veranderingen worden ‘uitgesmeerd’ over meerdere jaren. Bij de verzekeraars-UFR is de jaarlijkse verandering gemaximeerd.Tip: ons advies is om een realistische rekenrente te hanteren, omdat anders de kans groot is dat er in de toekomst tekorten optreden in het nazorgfonds. Daarnaast is het aanbevelenswaardig om een methode vast te leggen waarmee de gehanteerde rekenrente wordt vastgesteld. Dit maakt, voor alle stakeholders, inzichtelijk waar men aan toe is. Een voorbeeld is het overnemen van de UFR voor verzekeraars, welke jaarlijks wordt geüpdatet door EIOPA. 
  4. Resultaten uit het verleden…
    De door IPO in het verleden geadviseerde rekenrente van 5% is momenteel niet meer risicovrij uit de markt te halen. In 2010 stond de spaarrente nog rond de 4% en was dit – gebruikmakend van obligaties binnen het Fido/Ruddo-spectrum wel haalbaar. Op moment van schrijven ligt de 10-jaars swap rate op -0,12%4. Obligaties binnen het Fido/Ruddo-spectrum renderen grosso modo rond 0%, afhankelijk van de looptijd. Voornoemde 5% wordt ook in de Ruddo gebruikt voor de berekening van het minimaal gewicht van 42% aan vastrentende waarden in de portefeuille. Uitgangspunt hierbij is hoofdsombehoud over 30 jaar en een inflatie van 2%.
    ruddo
    Als we voornoemde 5% substitueren met de huidige marktrenteniveaus, stijgt het percentage vastrentende waarde benodigd voor hoofdsombehoud richting de 100%. Als wij de huidige de UFR voor verzekeraars (3,75%) zouden gebruiken in deze formule, als proxy voor een lange termijn renteniveau, en de inflatievoet onveranderd houden, stijgt het minimale percentage vastrentende waarden benodigd om hoofdsombehoud te realiseren richting de 60%.
    ufr
  5. Korte termijn, middellange termijn of (heel) lange termijn?
    De belangrijkste (althans: grootste) gemodelleerde uitgaven van een nazorgfonds zijn de vervangingen van bovenafdichtingen. Deze worden in de regel om de 50 tot 75 jaar ingepland in het RINAS (Rekenmodel IPO NAzorg Stortplaatsen)-model. Vanwege de lange tijdshorizon lijken potentiële financiële issues ver weg. Loop echter niet in de valkuil door alleen op lange termijn te managen! Als uw nazorgfonds reeds gesloten stortplaatsen bevat, kunnen tekorten (in relatie tot verplichtingen) nu al op uw begroting drukken. Het nazorgfonds is een verbonden partij, maar de provincie staat volledig garant voor eventuele tekorten in het nazorgfonds (voor de gesloten stortplaatsen). Een belangrijke vraag is: wat voor risicoreservering heeft uw provincie genomen voor blootstelling aan het nazorgfonds.
    tip
    Tip: het opzetten van een egalisatiereserve binnen het nazorgfonds kan zorgen voor een ‘buffer’ voor slechtere tijden. Tip 2: een mogelijkheid is het aanhouden van een voorziening op de balans van de provincie om in (deze) tekorten te voorzien, deze levert echter geen beleggingsrendementen op.
    nazorgfonds
  6. Waar ligt de pijngrens?
    Oftewel, wat is de risicotolerantie van een provincie bij haar eigen nazorgfonds? Zeker in een politieke omgeving is dit een relevante vraag, welke per provincie verschillend beantwoord kan worden. Belangrijk is om de risicotolerantie bij het dagelijks bestuur en het algemeen bestuur te peilen, bijvoorbeeld door vragen te stellen langs de volgende lijn: Wat is een acceptabel verlies? Een 1% kans op een verlies van 1 miljoen in 10 jaar? Of 1 x 10 miljoen in 10 jaar? Of 1x 10 miljoen in 4 jaar?
    pijngrens
    Vaak werkt het ook om het risicobedrag te kwantificeren in termen van de provinciale begroting of het weerstandsvermogen van de provincie. Dit om te duiden wat de potentiële impact is van verliezen binnen een nazorgfonds, op de provinciale begroting en programma’s.
    Kanttekening bij bovenstaande is dat de ‘pijngrens’ ook richting de vergunninghouders in ogenschouw genomen moet worden. Als door het vaststellen van een lage rekenrente de kosten zodanig oplopen, dat de vergunninghouder wordt weggeconcurreerd en afvalstromen naar andere stortplaatsen gaan, wordt het doel wellicht voorbijgeschoten.
    nazorgfonds
  7. Het complete plaatje?Aan het bovenstaande moet nog wel iets worden toegevoegd: de verplichtingen worden becijferd met het RINAS-model. De hierin vervatte aannames bepalen het doelvermogen. Wat niet in de standaardinstellingen van RINAS is ingebakken, zijn verschillende verplichtingenscenario’s. Wat als de bovenafdichtingen 100 jaar meegaan? Wat als er na één ronde vervangingen nooit meer een nieuwe bovenafdichting geplaatst hoeft te worden? Deze scenario’s zorgen voor een afname van de verplichtingen in de (verre) toekomst. Wij adviseren provincies niet om zichzelf rijk te rekenen. Wel om ook deze scenario’s te delen met de bestuurders en het complete plaatje te presenteren.

Conclusie

Bestuurders van nazorgfondsen zien zich geplaatst voor de uitdagende taak om te zorgen voor voldoende rendementen om de kosten van de eeuwigdurende nazorg niet te hoog te laten worden. Hierbij geldt dat de rekenrente voor het verdisconteren van alle toekomstige verplichtingen naar onze insteek een (vrijwel) risicovrij rente moet zijn. Enkel dan wordt duidelijk wat de risico’s zijn die gelopen worden en kan een goed gesprek worden gevoerd over de verdeling van deze risico’s over de verschillende stakeholders. Aangezien de rekenrente bij veel nazorgfondsen nog op 5% staat (wat vaak sinds het begin van deze eeuw niet meer is aangepast), is het verschil met een de huidige risicovrije rentestanden aanzienlijk. Dit noopt in onze visie juist tot actie!

Heeft u vragen over nazorgfondsen? Neem dan contact op met Jeroen Boogert via +31 35 692 89 89.

1 Op dit moment is de aanname dat de nazorg op de stortplaatsen ‘eeuwigdurend’ is. Scenario’s waarin een stortplaats een bron van inkomsten wordt (het terugwinnen van afgestorte materialen) is in de huidige modellen nog geen gemeengoed. De eeuwigdurendheid moet evenwel niet overschat worden. De netto contante waarde van kasstromen van 100+ jaar in de toekomst hebben nog maar zeer beperkte invloed op de huidige netto contante waarde (de discountfactor gaat richting de 0). Een en ander is afhankelijk van de gehanteerde rente- en inflatievoet.
2 Enigszins gesimplificeerde aanname. Beleggingsrendementen zijn niet normaal verdeeld, eerder lognormaal. De kans op een rendement onder het gemiddelde is dus iets hoger dan 50%.

3 Ter duiding; in het verleden gebruikten zowel pensioenfondsen als verzekeraars een vaste rente bij het bepalen van hun verplichtingen. Pensioenfondsen werkten tot eind 2006 met 4%. Verzekeraars werkten met een vaste verdisconteringsrente tot 2012.
4 Per medio juni 2020. De swaprate wordt hier gebruikt als proxy voor risicovrije rente. In werkelijkheid zit er weldegelijk enig kredietrisico in de interbancaire rente.