Liquiditeitsbuffer: een kwestie van maatwerk

Liquiditeitsbuffer: een kwestie van maatwerk

De financiële gezondheid van publieke instellingen staat sinds de financiële crisis nadrukkelijker in de schijnwerpers. Een gezonde instelling kan op zowel de korte als de lange termijn aan haar financiële verplichtingen voldoen. Dit is dan ook terug te zien in goede ratio-ontwikkelingen, zoals de solvabiliteit, LtV en de DSCR. Echter betekent het hebben van gezonde ratio’s niet automatisch dat u snel voldoende middelen beschikbaar heeft om incidentele, financiële tegenvallers mee op te kunnen vangen.

Financiële tegenvallers kunnen ontstaan door bijvoorbeeld hogere bouwkosten, het door IT-problemen niet kunnen factureren, of het achterblijven van productie door personeelstekort. Een spaarpotje, ook wel een liquiditeitsbuffer genoemd, geeft u in dergelijke situaties enige tijd om maatregelen te treffen om de incidenten op te lossen. Als deze tijdelijke liquiditeitstekorten niet op tijd opgevangen kunnen worden, vertaalt zich dit mogelijk in structurele problemen, verslechtering van de cashflowratio’s, hogere risico-opslagen op leningen en op de lange termijn misschien zelfs in faillissement. Een buffer lijkt daarom logisch, echter de inrichting van een liquiditeitsbuffer is nog niet zo makkelijk. Want hoe wordt de hoogte en de vorm van de buffer bepaald?

Bufferen! (Of toch niet?)

Het aanhouden van liquiditeitsbuffer vraagt om het reserveren van vrije middelen maar kan als onnodig en maatschappelijk ongewenst worden gezien. Er lijken immers genoeg liquiditeiten beschikbaar voor het opvangen van tegenvallers en het publieke geld kan beter worden besteed aan maatschappelijke doeleinden. In de praktijk komt het echter voor dat extra liquiditeiten niet standaard of direct beschikbaar zijn, het lastig is om geld snel vrij te maken, of dat de extra ruimte onvoldoende toereikend is voor het tijdelijk opvangen van de tekorten.

Banken zullen in moeilijke tijden ook minder snel bereid zijn geld te verstrekken om tekorten op te vangen. Daarnaast kan het aanvraagproces bij een bank relatief lang duren. Om de financiële continuïteit van een instelling in zowel goede als slechte tijden te waarborgen, voelen veel zorg- en onderwijsinstellingen daarom de noodzaak om zelf extra liquiditeiten achter de hand te houden, niet zelden aangemoedigd door de accountant of de Raad van Toezicht. Daarnaast benadrukken instanties zoals het Waarborgfonds voor de Zorgsector (WFZ), de onderwijsinspectie en de banken ook het belang van een gezonde liquiditeitsbuffer.

Een belangrijk aandachtspunt is dat het comfort van een liquiditeitsbuffer bij financiële tegenvallers maar van tijdelijke aard is. U kunt het weggezette geld immers maar één keer uitgeven. Als liquiditeitstekorten zich doorzetten en dus van structurele aard worden, dan zal er naar lange termijn maatregelen gekeken moeten worden. Wel kan het inzetten van de liquiditeitsbuffer bij structurele tekorten u meer tijd geven om een afgewogen besluit te nemen over de te nemen maatregelen.

Hoe dikker het spaarvarken, hoe beter?

Een eenduidig antwoord op deze vraag is niet te geven. De gehanteerde uitgangspunten verschillen per sector en per instelling. Zo zien we bij onderwijsinstellingen de current-ratio vaak terug als maatstaaf voor de aan te houden buffer. De current-ratio geeft de verhouding tussen de vlottende activa ten opzichte van de kortlopende schulden weer. De onderwijsinspectie hanteert als signaleringswaarde een current-ratio van minimaal 0,5 voor instellingen in het hoger- en middelbaar beroepsonderwijs, en minimaal 0,75 bij het funderend onderwijs . Veel bestuurders en Raden van Toezicht hebben echter comfort bij een hogere norm en sturen op een minimaal te behalen ratio van 1,0 of hoger.

Een voordeel van deze methodiek is dat er bij de current-ratio nog geen rekening gehouden is met de eventuele ruimte onder de rekening-courantfaciliteit. Hierdoor kan een eventuele rekening-courantfaciliteit dienen als extra buffer in zware tijden. Een nadeel is dat de current-ratio over het algemeen een momentweergave is per einde jaar; er wordt geen rekening gehouden met intrajaar-ontwikkelingen. Ook kan bij een instelling met volatiele kasstromen het sturen op de current-ratio leiden tot een per jaar wisselende omvang van de beschikbare bufferpositie.

Een alternatief is om de hoogte van de liquiditeitsbuffer constant te houden door te sturen op een absolute norm. Het WFZ, bijvoorbeeld, adviseert zorginstelling om als norm tweemaal de omzet per maand aan te houden, maar geeft hierbij aan dat dit geen universele, objectieve norm is . Ook ziet Zanders bij veel instellingen een norm van tweemaal de maandsalarissen of 1,5 maand omzet. Een aandachtspunt is dat deze normen vaak vrij hoog liggen..

Ons algemene advies is om de hoogte van de buffer af te stemmen op de liquiditeitsontwikkeling op zowel korte als lange termijn, de risico’s en factoren die spelen binnen uw sector en bij uw instelling. Aanvullend adviseren we om de ontwikkeling van uw meerjarenbegroting bij negatieve ontwikkelingen, ook wel scenario-analyses genoemd, in de afweging mee te nemen. Ook kan comfort een belangrijke rol spelen. Het is immers aan u om te bepalen welke liquiditeitsbuffer het meest passend is en het meeste comfort biedt bij de dagelijkse bedrijfsvoering.

Verschillende componenten

Niet alleen over de hoogte, maar ook over de opbouw van de liquiditeitsbuffer moet beslissingen worden genomen. De banken bieden vaak de optie om een liquiditeitsbuffer aan te houden in de vorm van een rekening-courantfaciliteit, waarbij de kredietnemer bereidstellingsprovisie over het ongebruikte gedeelte betaald en een variabele rente plus opslag over het gebruikte gedeelte in rekening gebracht krijgt. Over het algemeen is de hoogte van de rekening-courant afgestemd op de liquiditeitsprognoses van de instelling.

Bij de inzet van het rekening-courantkrediet is het belangrijk om vast te stellen of deze gecommitteerd of ongecommitteerd is. Bij een ongecommitteerd rekening-courantkrediet kan de bank dagelijks eenzijdig de faciliteit opheffen – dit is een beschikbaarheidsrisico. Bij een gecommitteerde faciliteit is er de ‘zekerheid’ dat de bank de faciliteit niet mag intrekken gedurende de afgesproken looptijd. Ook voor deze dienstverlening moet een bereidstellingprovisie over het ongebruikte gedeelte worden betaald en kan de bank gedurende slechte jaren om een hogere opslag vragen bij gebruik van de rekening-courant. Bovendien kunnen er contractvoorwaarden zijn die de bank toch de mogelijkheid bieden om het ongebruikte deel eenzijdig op te zeggen.

Vanuit het risicoperspectief zou daarom beargumenteerd kunnen worden dat creditsaldi veiliger zijn dan rekening-courantfaciliteiten. Immers, dit geld kan niet eenzijdig worden opgezegd en kent geen bereidstellingsprovisie over het ongebruikte deel of rentekosten over het gebruikte deel . Door de lage rentestanden in de afgelopen jaren is de spaarrente over creditsaldi echter zodanig gedaald, dat deze momenteel zelfs negatief is. Dit betekent bij sommige banken dat er geen rente meer wordt ontvangen over positieve saldi, maar dat er vanaf een bepaalde omvang van het creditsaldo mogelijk juist rente moet worden betaald, ook wel negatieve rente genoemd. Als er dan ook nog financiering aangetrokken moet worden om de liquiditeitsbuffer aan te kunnen blijven houden, is er sprake van dubbele kosten. U betaalt in dit geval niet alleen rente op het spaarsaldi, maar ook de reguliere financieringskosten.

Sommige instellingen zien hun beleggingsportefeuille als een noodpotje wat ze kunnen inzetten in moeilijke tijden. Het voordeel van belegd geld is dat u geen last heeft van de negatieve rente of van bereidstellingsprovisie. Ook heeft u een maandelijkse stroom van beleggingsinkomsten. Maar niet elke instellingen mag vanuit de wet- en regelgeving geld beleggen. Daarnaast heeft u te maken met tegenpartijrisico, koersrisico bij tussentijdse verkopen en kans op negatieve rendementen. Bovendien is het de vraag of u uw beleggingen snel genoeg liquide kunt maken om betalingen te kunnen doen.

De bovenstaande opties geven instellingen de ruimte om in financieel zware tijden over extra gelden te beschikken. Het blijft echter de vraag wat de beste optie is. Elke optie heeft voor- en nadelen, en om de keuze nog moeilijker te maken zou een combinatie van bovenstaande opties ook een goede oplossing voor u kunnen zijn.

Maatwerk, maatwerk, maatwerk…

Veel instellingen zien de noodzaak tot het aanhouden van een liquiditeitsbuffer, vanuit risicoperspectief, vanwege de eisen vanuit toezichthouders, of voor het hebben van comfort bij de operationele uitvoering. Wat de optimale hoogte van een liquiditeitsbuffer is en hoe deze exact opgebouwd dient te worden, is echter niet eenduidig te beantwoorden. Elke instelling heeft zijn eigen risico’s en factoren waar rekening mee moet worden gehouden. Het inrichten van de liquiditeitsbuffer vraagt dan ook om een grondige analyse van de kasstroomontwikkeling op de korte en de lange termijn, de kengetallen, de kosten, de risico’s en de mogelijkheden bij banken en binnen wet- en regelgevingen. Kortom, de inrichting van een liquiditeitsbuffer is en blijft maatwerk!

 

1 De Onderwijsinspectie, ‘Kengetallen bij het toezicht op de financiële continuïteit van onderwijsinstellingen ‘, ‘https://www.onderwijsinspectie.nl/binaries/onderwijsinspectie/documenten/richtlijnen/2016/09/23/kengetallen-en-signaalwaarden-continuiteitstoezicht/Inspectie+van+het+Onderwijs+Kengetallen+financieel+toezicht.pdf
2 WFZ, ‘Gewenste liquiditeitsbuffer bij WFZ-deelnemers ‘, http://www.wfz.nl/download_file/force/278/303
3 Zanders ziet ook bij ongecommitteerde faciliteiten steeds vaker een bereidstellingsprovisie terug
4 Een bank kan wel de creditsaldi salderen met eventuele schuldposities die uitstaan bij dezelfde bank, ook wel verrekening genoemd