Het goed inrichten van een kredietovereenkomst voorkomt latere herstructureringen

Het goed inrichten van een kredietovereenkomst voorkomt latere herstructureringen

Wat zijn de belangrijkste relevante bepalingen in leningsovereenkomsten? En hoe kan de gewenste flexibiliteit worden ingebouwd? Zorginstellingen, maar bijvoorbeeld ook onderwijsinstellingen, hebben te maken met bepalingen uit leningovereenkomsten.

De laatste jaren is een aantal zorginstellingen in financieel zwaar weer gekomen. Externe factoren, zoals veranderde regelgeving of overheidsbezuinigingen, maar ook interne oorzaken als kostenoverschrijdingen bij nieuwbouw of ICT-projecten leidden ertoe dat financiële resultaten soms ver achterbleven bij eerdere verwachtingen. Dit kan wederom gebeuren in de huidige coronacrisis: hoewel er door overheid en zorgverzekeraars compenserende maatregelen zijn aangekondigd, blijft de kans aanwezig dat het overall effect van de crisis op de rentabiliteit van zorginstellingen negatief zal zijn.

Lastige onderhandelingen

Als gevolg van financiële problemen – of deze nu veroorzaakt worden door een coronacrisis of door nieuwbouwprojecten – voldoen instellingen niet meer aan de voorwaarden (convenanten) van hun financiering. Dit kan de financierende bank ertoe brengen om de betreffende zorginstelling over te dragen aan de eigen Bijzonder Beheer-afdeling. Hoewel dit zeker niet noodlottig hoeft te zijn (banken hebben net als de instelling zelf belang bij continuïteit en zullen dus veelal de instelling tijd gunnen om een herstelplan te implementeren), leidt dat wel tot tijdrovende en complexe onderhandelingen met de betrokken bank en soms ook met andere belanghebbenden, zoals zorgverzekeraars en de Belastingdienst.

Lastige onderhandelingen en financiële herstructureringen kunnen niet altijd worden voorkomen. Sommige ontwikkelingen zijn niet te voorzien en hebben zo’n grote impact dat een herstructurering onvermijdelijk is. Soms zijn deze herstructureringen echter eerder het gevolg van te strakke financieringsvoorwaarden dan van werkelijke financiële problemen. Kleine tegenvallers of beperkte onvoorziene investeringen leiden al tot ‘breaches’ van bepalingen in de leningsovereenkomst. Een goede inrichting van de kredietovereenkomst kan dergelijke problemen voorkomen zodat instellingen niet nodeloos veel tijd kwijt zijn en kostbare fees betalen vanwege ’waivers’, ‘amendments’ en ‘ratio resets’.

Voorkom ‘knellende’ ratio’s

Alle leningsovereenkomsten bevatten financiële convenanten of ratio’s: voldoet de instelling niet aan deze ratio’s dan is er sprake van een contractbreuk (breach) en heeft de bank de mogelijkheid voorwaarden te verbinden aan het verstrekken van een waiver (feitelijk de toezegging om af te zien van het recht om vanwege de breach de financiering op te zeggen). De meeste overeenkomsten bevatten tenminste twee van deze ratio’s (zie voor enkele voorbeelden: tabel 1). Het verdient aanbeveling om bij het vaststellen van de financiële ratio’s een voldoende ruime marge uit te onderhandelen ten opzichte van de business case.

In de praktijk gaat het daar vaak mis: regelmatig blijkt dat ratio’s zijn ’vastgeprikt’ op een niveau op of dichtbij de projecties uit deze business case. Dit kan worden voorkomen door bij het doorrekenen niet één maar twee scenario’s te ontwikkelen en de ratio’s niet te baseren op het meest waarschijnlijke scenario (‘base case’) maar op een ’downside scenario’ waarin al met een aantal mogelijke tegenvallers rekening is gehouden. Door een marge te nemen ten opzichte van de downside case kunnen ratio’s op een meer realistisch niveau worden vastgeprikt en wordt een beter evenwicht bereikt tussen de belangen van de bank en die van de zorg- of onderwijsinstelling.

Tabel 1: Voorbeelden van financiële ratio’s

financiele ratio's

Inzetten op uitzonderingen

Naast financiële bevat iedere leningsovereenkomst ook meerdere niet-financiële convenanten die instellingen beperken in het aantrekken van additionele financiering, het verstrekken van zekerheden of het doen van additionele investeringen. De financierende bank beoogt met dergelijke convenanten te voorkomen dat haar positie verslechtert doordat de instelling meer verplichtingen aangaat dan ten tijde van de business case werd voorzien, of doordat de instelling derde financiers een voorkeursbehandeling geeft door het verstrekken van zekerheden die niet beschikbaar zijn voor de financierende bank.

Vanuit de bank bezien is het opleggen van dergelijke restricties begrijpelijk, maar in de meeste leningsovereenkomsten worden deze bepalingen wel zeer stringent toegepast. Met andere woorden: buiten bestaande zekerheden, financieringen en reeds voorgenomen investeringen uit het business plan wordt er in financieringsovereenkomsten niet of nauwelijks ruimte geboden voor uitzonderingen. Dit wijkt sterk af van de bestaande praktijk bij veel corporate financieringen.

Het verdient dan ook aanbeveling dat instellingen in de toekomst bij onderhandelingen inzetten op (beperkte) uitzonderingen die het recht geven tot een bepaald maximum:

  • additionele investeringen te doen:
  • financieringen aan te trekken;
  • zekerheden te verstrekken of;
  • de opbrengst van verkoop van niet-noodzakelijke activa ter vrije beschikking te houden (en dus niet verplicht aan te hoeven wenden voor aflossing van bankschuld).

Bijgaande tabel geeft een handvat bij het onderhandelen van dergelijke maxima (’thresholds’).

niet-financiele convenanten

 Tabel 2: Voorbeelden van niet-financiële convenanten

Vervolginvesteringen

Hoewel de hierboven genoemde thresholds de instelling enige flexibiliteit verschaffen, blijft de manoeuvreerruimte in veel gevallen beperkt. Zo is er in de meeste nieuwbouwfinancieringen voor ziekenhuizen geen rekening gehouden met vervolginvesteringen. Vaak is ook de operationele cashflow onvoldoende om deze investeringen (volledig) te financieren. Gevolg is dat een instelling vaak binnen enkele jaren na de nieuwbouw al weer op zoek moet naar nieuwe financiering. In dat geval leiden de genoemde niet-financiële convenanten ertoe dat de instelling sterk afhankelijk is van de bereidheid van de bestaande bank(en) om dergelijke investeringen te financieren.

Immers: de bestaande financier kan met een beroep op de no further debt-clausule het opnemen van een lening bij een derde tegenhouden. Zelfs als de investering uit eigen middelen kan worden gefinancierd, kan de bank dit met een beroep op de ’no investments’- clausule verhinderen.

Accordion-bepaling

Met name bij tegenvallende resultaten is de onderhandelingspositie van de zorg- of onderwijsinstelling zwak. Een mogelijke oplossing is om in de oorspronkelijke financieringsovereenkomst een zogenaamde ’accordion’-bepaling op te nemen. Een dergelijke bepaling is zeer gebruikelijk bij bedrijfsfinancieringen maar komt in de publieke sector financieringsmarkt nog weinig voor. Een accordion-optie geeft de debiteur het recht om tot een bepaald maximum additionele financiering aan te trekken tegen dezelfde voorwaarden als de bestaande financieringsovereenkomst.

De nieuwe overeenkomst kent dezelfde voorwaarden (financiële en niet-financiële convenanten) als de bestaande leningsovereenkomst en (in geval er zekerheden zijn verstrekt) deelt de nieuwe financier pro rata mee in de opbrengst van die zekerheden. De publieke instelling blijft uiteraard wel gebonden aan de overeengekomen financiële ratio’s, niettemin is de afhankelijkheid van bestaande financiers door deze bepaling aanzienlijk minder: mocht deze niet bereid zijn om de additionele financiering te verstrekken, dan ligt de weg open om met andere potentiële financiers te gaan praten.

Pricing grid

De afhankelijkheid van bestaande financiers manifesteert zich ook bij de onderhandelingen over de pricing van de financiering. Veel zorg- of onderwijsinstellingen leggen weliswaar de marge op de op te nemen lening(en) bij het aangaan van de overeenkomst voor lange tijd (en vaak zelfs voor de volledige looptijd) vast, maar realiseren zich vaak onvoldoende dat deze prijsafspraak alleen geldt zolang ze aan alle leningsvoorwaarden voldoen: zodra de instelling één of meer financiële ratio’s breekt, heeft de bank het recht, als voorwaarde voor het verstrekken van de benodigde waiver, om de pricing te verhogen. De bank verdedigt dit door te wijzen op het feit dat door de breach het kredietrisico is verhoogd, waardoor zij meer kapitaal dient aan te houden en waarvoor zij gecompenseerd wil worden.

Lastig voor de publieke sector instelling is dat zij in dat geval geen middelen in handen heeft om een prijsverlaging af te dwingen wanneer de resultaten weer zijn verbeterd. Een oplossing kan zijn om bij de leningsovereenkomst (of bij de waiver-overeenkomst) een zogenaamde pricing grid overeen te komen: een dergelijke grid legt een verband tussen de hoogte van een financiële ratio (bijvoorbeeld de solvabiliteits- of leverage ratio) en de marge op de leningen.

Mochten de financiële resultaten van de instelling verslechteren (waardoor de solvabiliteitsratio daalt of leverage ratio stijgt) dan wordt de marge weliswaar verhoogd, maar daar staat tegenover dat een verbetering van de resultaten ook direct tot een verlaging van de marge leidt. De pricing grid heeft als voordeel dat vooraf duidelijke afspraken worden gemaakt wat de consequenties zijn bij een veranderende kredietwaardigheid voor de pricing van de kredietfaciliteit. Prijsonderhandelingen gedurende de looptijd – op een moment dat de publieke sector instelling geen onderhandelingspositie heeft – kunnen daarmee vermeden worden.

Vragen over het goed inrichten van een kredietovereenkomst? Ik beantwoord ze graag. Frank Nivard,  06-23459712.