Gebruik ‘Value at Risk’ voor professioneel risicomanagement bij fondsen

Gebruik ‘Value at Risk’ voor professioneel risicomanagement bij fondsen

In de afgelopen jaren maken (de)centrale overheden steeds meer gebruik van revolverende fondsen om hun maatschappelijke vraagstukken te financieren en te helpen realiseren. Omdat deze fondsen projecten met een publieke en maatschappelijke meerwaarde oppakken – die de private financieringsmarkt vanwege het relatief hoge risico vaak laten liggen – is professioneel risicomanagement cruciaal.

Door gebruik te maken van Value at Risk (VaR)-modellen, die financiële instellingen gebruiken om risico’s mee te kwantificeren, kunnen ook jonge revolverende fondsen hun risico’s kwantificeren en beheersen. De eerste toepassingen daarvan vinden al plaats.

In deze fondsen wordt publiek geld gestort dat dient voor allerhande projecten met een publiek belang, zoals stimulering van innovatie en realiseren van duurzaamheidsinvesteringen. De fondsen beogen investeringen in projecten met maatschappelijke meerwaarde, waar de private financieringsmarkt (zoals banken) terughoudend is om te financieren (dus waar de markt ‘faalt’). Dat maakt dat het risicoprofiel van deze fondsen doorgaans hoger is.

De (de)centrale overheden die geld beschikbaar stellen in dit soort fondsen zijn bereid om voor de duur van de investering (lening of participatie) meer risico op zich te nemen dan de private sector. Doel van de investeringen door deze overheden is dat de ondersteunde bedrijven groeien en zich financieel positief ontwikkelen, waardoor het risico gaandeweg afneemt en private partijen en banken na een paar jaar wel (alsnog) bereid zijn de herfinanciering op zich te nemen. Zo vervult de inzet van geld vanuit een fonds zijn stimulerende functie en kan het elders opnieuw worden ingezet.

De Algemene rekenkamer stelt in het rapport Zicht op revolverende fondsen van het Rijk uit 2019 vast dat een systematische werkwijze om financiële doelstellingen en indicatoren te formuleren en beoordelen veelal ontbreekt. Ook is beperkt sprake van samenhang tussen beoogde risicoprofielen van investeringen, looptijden van uitzettingen, de hoogte van investeringsbedragen en leningen, en het (beoogde) rendement.

Bij het inrichten van nieuwe fondsen wordt meestal steeds opnieuw het wiel uitgevonden en wordt nauwelijks gebruik gemaakt van de opgedane ervaringen en lessen bij andere fondsen.

Nog in de kinderschoenen

Op initiatief van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) zijn afgelopen jaren meerdere Regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) opgericht, met als doel het versterken van de regionale economie1. ROM’s beheren door (de)centrale overheden opgezette fondsen. Als fondsbeheerder zijn ROM’s verantwoordelijk voor de uitvoering van het risicobeleid en het financiële risicomanagement. Alle ROM’s zijn, net als veel andere professionele beleggers en fondsbeheerders, lid van de Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen (NVP). De leden van de NVP hebben zich via hun eigen gedragscode direct verbonden aan de gedragscode, het handboek en de richtlijnen van Invest Europe (de ‘Europese NVP’)2. In deze richtlijnen wordt het gebruik van VaR-modellen bepleit.

Ook eigen, door provincies opgezette en beheerde fondsen hebben steeds vaker als uitgangspunt zich als bij het fondsbeheer als professionele belegger te gedragen. Dat pleit voor het adopteren van professionele standaarden, zoals onder meer verwoord in de gedragscodes van de NVP en Invest Europe (de ‘Europese NVP’).

Afgelopen twee jaar hebben we vanuit onze eigen adviespraktijk meerdere fondsen (zowel beheerd door een ROM als met een andere beheervorm) van advies voorzien voor het inrichten van het risicobeleid en het financiële risicomanagement. Daarbij hebben we vastgesteld dat de toepassing daarvan – en met name de vertaling ervan naar het daadwerkelijk kwantificeren van het financiële risico en het toetsen en bewaken daarvan aan vastgestelde kaders van risicobeleid – bij de meeste fondsen nog in de kinderschoenen staat.

Toepassen VaR voor het meten en bewaken van financiële risico’s

Zoals eerder aangegeven wordt in de richtlijnen van Invest Europe het gebruik van ‘Value at Risk’ bepleit, maar in de richtlijnen van Invest Europe worden daarvoor geen specifieke modellen of formats voorgeschreven. Wel worden criteria benoemd waaraan dergelijke modellen moeten voldoen om op juiste en verantwoorde wijze risico’s te kunnen berekenen.

VaR is goedbeschouwd een ‘containerbegrip’ voor een econometrische rekenmethodiek die in de praktijk allerlei verschijningsvormen kan hebben, zoals modellen, afhankelijk van de specifieke toepassing. VaR-modellen worden al langere tijd door financiële instellingen en andere professionele beleggers gebruikt om risico’s te kwantificeren. Dankzij onze adviesdiensten op het gebied van risicomanagement voor financiële instellingen hebben we ruim 25 jaar ervaring met het maken en toepassen van VaR-modellen bij professionele beleggers. Die kennis is afgelopen jaar door ons benut door vanuit onze afdeling Public Sector een VaR-model en tool voor fondsen te maken en die praktisch toe te passen.

Doel van de VaR-methodiek is het bepalen van de hoogte van het verwachte (maximale) verlies. Veel fondsen kennen (in ieder geval) de volgende kaders voor het risicobeleid: ‘Revolverendheid 100%’ en ‘Maximaal risico of risicolimiet (in euro’s)’. Het risicobudget wordt bepaald op basis van de maximale risicobereidheid van het fonds en het daarbij behorende maximale verlies dat in een bepaalde periode gelopen mag worden.

Hoe groot kan het verlies worden?

De VaR-methodiek geeft antwoord op de vraag: “Hoe groot kan het verlies worden, met een bepaalde waarschijnlijkheid in een bepaalde periode?” Vervolgens kan op basis daarvan bewaakt worden of het verlies hoger kan zijn dan de vastgestelde risicolimiet.

Door het gebruik van deze methodiek kan de omvang van verliezen op uitzetting (zoals leningen en participaties) geraamd worden. Vervolgens kan dat als basis worden gebruikt bij het bepalen en bewaken van de risicolimieten voor uitzettingen, het inrichten van de benodigde financiële buffers en het beheersen van de risico’s.

De VaR-methodiek berekent het verwachte verlies aan de hand van econometrische rekentechnieken en gebruikmakend van zogenaamde Monte Carlo-simulatie. De VaR-methodiek kan, afhankelijk van de groei en samenstelling van de portefeuille en de beschikbaarheid van data uit de eigen portefeuille of externe (markt)data, worden uitgebreid met onder andere volatiliteit van de mogelijke rendementen en correlatie tussen uitzettingen.

De uitkomst van de VaR voor een bepaalde periode vooruit (minimaal 1 jaar en daarnaast bijvoorbeeld 4 of 5 jaar). Op basis van de vooraf bepaalde waarschijnlijkheid (doorgaans 95%) geeft de VaR het statistisch verwachte verlies in die periode in euro’s aan. Dit bedrag kan worden vergeleken met de daadwerkelijk aanwezige risicobuffers (zoals eigen vermogen, reserves of het voor de aandeelhouders maximaal acceptabele verlies). Ook kan de VaR worden gebruikt als basis voor het bepalen van de risicolimiet en bij het beoordelen van, en de besluitvorming over het toekennen van leningen of het nemen van participaties in aandelen. Daarbij kan gebruikgemaakt worden van de methodiek voor het te bepalen ‘economic capital’ bij financiële instellingen.

Beschikbaar en toepasbaar

De VaR-methodiek en het daarvoor door ons ontwikkelde model is beschikbaar voor fondsen die het willen gaan toepassen in hun eigen situatie. Desgewenst kunnen wij u ook ondersteunen en adviseren bij het opstellen van het risicobeleid en het risicomanagement dat de basis vormt voor het toepassen van het model.

Wilt u meer weten over het gebruik van Value at Risk bij fondsen? Neem contact op met Hans Visser of met Jeroen Boogert.

1 Meer informatie: www.rom-nederland.nl
2 Vanuit het ‘Invest Europe Handbook of Professional Standards’ zijn meerdere andere richtlijnen van toepassing: IPEV Valuation Guidelines (december 2018) en ECVA Risk Measurement Guidelines (January 2013).