Liquiditeisrisico: een prioriteit

Liquiditeisrisico: een prioriteit

Nooit eerder hebben toezichthouders en financiële instellingen zo veel waarde gehecht aan liquiditeitsrisico, met name omdat het één van de belangrijkste aspecten van de kredietcrisis vormde.

In juli 2009 publiceerde het Committee ofeuropean Banking Supervisors (Comité van Europese bankentoezichthouders – CEBS) zijn concept-richtlijnen voor liquiditeitsbuffers, ook bekend als CP28. Het gaat om een eerste opzet om vermogensbuffers met liquiditeit te definiëren en de toepassing ervan af te dwingen, en om het gebruik van stresstests te verbeteren.

Die stap van het CEBS zal ongetwijfeld leiden tot een pan-Europees regelgevend kader dat sterk vergelijkbaar is met het kader dat de Financial Services Authority (FSA) in december 2009 in het Verenigd Koninkrijk introduceerde.

De FSA heeft echter in oktober vorig jaar met de publicatie van CP09/16, getiteld ‘Strengthening Liquidity Standards’ (‘Versterking van de liquiditeitsnormen’), voor een veel krachtigere benadering gekozen.

Dit artikel is gebaseerd op twee belangrijke principes:

  • Voldoende liquiditeit (financiering), wat uiteindelijk bepaald wordt door de omvang en de kwaliteit van een liquide vermogensbuffer.
  • Zelfvoorziening: erop toezien dat Britse dochterondernemingen van niet-Britse ondernemingen aantoonbaar over voldoende liquiditeit beschikken, ongeacht de liquiditeitspositie van de groep.

“De nieuwe regeling geeft prioriteit aan de invoering en verbetering van risicobeheersystemen.”

Deze principiële regeling richt zich op een duidelijk patroon binnen de kwestie: het onvermogen om activa in een ‘stress event’ te gelde te maken, onvoldoende gebruikmaking van stresstests, ontoereikende planning voor financiering in onvoorziene omstandigheden, te veel vertrouwen op korte termijn ‘wholesale’-financiering en op securitisatiefinanciering. Ongeacht wie de toezichthouder is, richt de regeling zich wat de inhoud betreft op drie onderwerpen.

  • Ten eerste bepaalt zij de omvang en de samenstelling van de liquide vermogensbuffer, waarbij staatsobligaties een belangrijke rol spelen.
  • Ten tweede worden risicofactoren geïdentificeerd om het gebruik van stresstests te verbeteren. Deze risicofactoren betreffen liquiditeitsrisico’s in verband met wholesalefinanciering, retail-financiering, intragroeps-, valuta- en off  -balancevermogensbestanddelen, evenals andere gebieden. Daarnaast zijn stresstests bij ondernemingsspecifieke risico’s, marktrisico’s ofeen combinatie van die twee verplicht. Op basis van deze stresstests zullen bedrijven een financieringsplan voor onvoorziene omstandigheden moeten opstellen.
  • Ten derde wordt ook de noodzaak om gegevens en rapportage te verbeteren gezien als een eis waaraan bedrijven moeten voldoen.

 

Hoewel de nieuwe regeling niet voorziet in een definitie van  relevante gegevens, moeten bedrijven toegang verschaffen tot hun ruwe gegevens en het mogelijk maken om enorme hoeveelheden gegevens uit verschillende bronnen te integreren.

De kwaliteit van die gegevens moet bedrijven in staat stellen om – afhankelijk van de kwestie – wekelijks, maandelijks of jaarlijks te rapporteren, en in het geval van een ondernemingsspecifieke of marktliquiditeitscrisis zelfs dagelijks. Niet in de laatste plaats geeft de nieuwe regeling prioriteit aan de invoering en verbetering van risicobeheersystemen.

Hoewel de nieuwe regeling voornamelijk gericht lijkt op het liquiditeitsrisico dat samenhangt met financiering, moet dit niet los van het marktliquiditeitsrisico worden gezien. Als er bijvoorbeeld in een margepositie een verlies optreedt, en dat verlies wordt gefinancierd door andere posities terug te brengen, kan dit in combinatie met andere factoren koersvolatiliteit veroorzaken.

Een dergelijk scenario zou tot een liquiditeitsspiraal kunnen leiden, waarbij de marges verder omhoog geduwd worden, wat leidt tot verdere verliezen, die weer gefinancierd worden door posities (verder) terug te brengen.

Een ander voorbeeld van het marktliquiditeitsrisico is de noodzaak om risico’s door schommelingen in de marktprijzen door onderpand te dekken. Bovendien kan de standaardisering van de OTC-markten in de VS bedrijven ertoe aanzetten om cruciale liquide middelen als onderpand aan te houden. Ondertussen is het gebruik van stresstests niet het enige gebied dat aandacht verdient.

Risicomaatregelen en waarderingsmodellen moeten ook rekening houden met liquiditeitsrisico’s. Zo moet de Value at Risk (VaR) het feit weerspiegelen dat als markten volgens mijn scenario (nog) minder liquide worden, het langer zal duren om mijn posities op te heffen. Daarom zal mijn VaR dit beter weerspiegelen met een holdingperiode van meer dan één dag.

Daarnaast kan ook het risicobeheer in verband met (markt)liquiditeit worden verbeterd in de waarderingsmodellen. Eén manier om dat te bereiken is door rekening te houden met handels kosten zodat nettorendement in plaats van brutorendement gebruikt kan worden.

Financiële instellingen die onder de rechtsmacht van FSA of CEBS vallen, moeten aanzienlijke kosten maken om de deadline te halen zodat ze aan de nieuwe eisen voldoen. Voeg daarbij de alternatieve kosten van gederfde opbrengsten – als gevolg van
de eis om minder risicovolle, meer liquide middelen in ruimere mate aan te houden – alsmede de hogere kapitaalkosten – door verlenging van de looptijd van kortlopende schulden om de omvang van de vereiste liquide vermogensbuffer te verminderen.

Deze maatregelen zijn op zichzelfechter niet voldoende. In combinatie met andere regelgeving en beleid zullen zij daarentegen kunnen leiden tot een stabielere financiële markt.